Artikel 77f
geldendBijzondere bepalingen voor jeugdige personen
In een strafbeschikking kan de officier van justitie tevens de aanwijzing geven dat de verdachte zich zal richten naar de aanwijzingen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet op de jeugdzorg, voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden.
In afwijking van artikel 257a, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie in een strafbeschikking een taakstraf opleggen voor ten hoogste zestig uren, te verrichten binnen een termijn van ten hoogste drie maanden. Artikel 77m, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij het begeleiden bij de naleving van de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de uitvoering van de taakstraf, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe stelt de officier van justitie als voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.